Atelier MarcelMïrô
Verboden kleuren!
Waar stilte wet wordt zijn woorden verboden Waar schaduw regeert is het licht al verdreven Waar muren verrijzen verstomt elk geluid
Waar wit wordt verheven zijn kleuren verloren Waar regels verstikken verdort het geweten Waar blikken verstarren bevriest ieder hart
Waar orde ontspoort wordt de waarheid begraven Waar moraal vervaagt wordt de mens snel vergeten Waar wanhoop ontwaakt verstikt ieder vuur
Waar vlaggen verschijnen verdwijnen de namen Waar trots wordt gepreekt groeit de angst in de straten Waar leugens marcheren verstomt het verstand
Waar wit als symbool elke kleur wil verdringen Waar haat zich vermomt als bescherming van waarden Waar stilte applaus wordt verdwijnt het verzet
Waar mensen nog zien dat geen kleur overheerst Waar stemmen weerklinken breekt langzaam het donker Waar waarheid herleeft verdwijnt eindelijk wit
Carpe Diem
Doorbijten
Ik zit hier aan de zijkant en kijk toe hoe alles draait, Gezichten zonder namen, de wereld vervaagt. Wanneer het feit daar is, kijkt niemand nog om zich heen, Alsof begrijpen sterft zodra je langzaam wordt vergeten.
En ik zie jonge ogen die niet meer durven vragen, Ze luisteren naar woorden die geen waarheid meer verdragen. Ik wil nog iets vertellen, maar mijn stem raakt langzaam kwijt, terwijl de gangen vullen met afstand en met tijd.
De stagiaires lopen langs me zonder echt te zien, Hun handen volgen schema’s, hun blikken tellen tien. Ze kregen hun instructies, dat hoor ik elke dag, Maar niemand leert hen luisteren naar stilte of gedrag. Mijn hoofd maakt vreemde reizen tussen gisteren en nu, Soms zie ik oude kamers en ineens weer deze muur. Ik zoek naar vaste woorden maar ze vallen uit elkaar, En mensen noemen dwalen wat voor mij nog helder was.
En ik zie jonge ogen die niet meer durven vragen, Ze luisteren naar woorden die geen waarheid meer verdragen. Ik wil nog iets vertellen, maar mijn stem raakt langzaam kwijt, terwijl de gangen vullen met afstand en met tijd.
De begeleiding is verdwenen achter deuren en papier, Er wordt wel veel gesproken maar een echt mens zie ik niet meer. Ze zeggen dat ze zorgen, dat alles goed zal gaan, Maar niemand blijft nog zitten om echt naast mij te bestaan. Soms denk ik dat ik roep, maar hoor alleen mijn adem gaan, Alsof mijn eigen lichaam me langzaam laat ontstaan. Ik voel de angst van binnen wanneer de nacht weer valt, Omdat mijn wereld breekt terwijl de buitenwereld lacht. Toch zie ik af en toe nog iemand met een warme blik, Een hand die zonder haast zegt: “Ik ben hier, vergeet dat niet.” Dan voel ik heel even dat ik nog werkelijk besta, Niet als de ziekte in een dossier, maar als mens die verder gaat.
En ik zie jonge ogen die niet meer durven vragen, Ze luisteren naar woorden die geen waarheid meer verdragen. Ik wil nog iets vertellen, maar mijn stem raakt langzaam kwijt, terwijl de gangen vullen met afstand en met tijd!
39,5 een effectief hallucinogeen
Carpe Diem
Woorden op de Dam
Zeven kinderen, in gelid, elke ochtend opnieuw. Kleine lichamen strakgetrokken in een ritme dat niet van hen was. De dag begon niet met spel, maar met orde, met stilte, met een adem die ingehouden bleef. Alsof lachen een overtreding was. Alsof jeugd een luxe was die ergens onderweg verloren was geraakt. Vader droeg een verleden dat geen jas kende om uit te trekken. Sinti, Roma, overlevende van een kamp, Sobibor, misschien. Een naam die fluistert als as. Niet met woorden, maar met angst en verdriet. Trauma kent geen pauze; het marcheert door generaties heen.
En ergens anders, in Amersfoort, viel een man vlak voor het einde. Gefusilleerd als man van het verzet, alsof de oorlog nog één laatste adem nodig had. Onze opa. Alsof het verleden zich niet neerlegt bij een datum, maar blijft rondspoken in de botten van wie daarna komen.
Later die dag: het journaal. Het monument op de Dam was die ochtend op 4 mei beklad. Woede in stemmen, verontwaardiging in nette zinnen. “Schoften,” klonk het hard. En toen, onverwacht, een zachtere stem. Een jongedame die durfde te vragen naar het waarom. Niet om goed te praten, maar om te begrijpen. Alsof begrip een vorm van verzet is tegen herhaling.
Want daar wringt het: we eren stenen, maar vergeten soms de levende erfenis van pijn. De kinderen in gelid. De vader die nooit thuiskwam ook al overleefde hij het.
Oorlog eindigt niet. Ze verandert alleen van vorm.
Menu!
Eten wat de pot schaft, zo luidt het gezegde, een zin die ooit warmte droeg, eenvoud, een zekere overgave aan wat de dag brengt. Maar hier, op het instituut, klinkt het als een holle echo in een lege gang. Want wat de pot schaft, blijkt grillig, onbetrouwbaar, soms zelfs een karige grap.
Maandag begint nog met belofte, een menu op papier, zorgvuldig geprint, bijna plechtig in zijn aankondiging. Penne Stroganof, een gemengde salade , woorden die smaken oproepen nog vóór de eerste roept. Eten! Ja graag wat de pot schaft!
Maar een week waarbij alles wordt losgelaten en men vanaf het menu op maandag al afwijkt, niets meer is als op het geschreven uitgeprinte menu, maakte bij mij uiteindelijk een verontwaardiging los, boosheid zelfs! Bewoners boven kregen wel dat wat op papier stond, wij beneden kregen te horen dat er te weinig was en kregen restjes!
Zonder overleg of mededeling solt men met ons, boven laat iedereen zijn bord staan met de woorden dat blief ik niet da’s geen agv. Waar ik, mij juist had verheugd op de penne stroganof en een heerlijke gemixte salade!
Het eten op het instituut is slecht en soms nog slechter. Maar al te snel, blijkt! Dat wat boven wordt geserveerd, een ander verhaal verteld dan wat beneden op tafel verschijnt. Daar, boven, blijven borden onaangeroerd, hier beneden worden restjes verdeeld alsof daarna, dankbaarheid verplicht is.
Er wordt vooraf niet besproken, niet overlegd, slechts geschoven. Met borden, met verwachtingen, met mensen. Alsof onze honger minder weegt, onze wens naar iets herkenbaars, iets fatsoenlijks, minder telt. “Te weinig,” wordt gezegd, terwijl boven eten blijft liggen. Het schuurt, het wringt, het maakt boos, niet alleen om het eten, maar om wat het symboliseert.
Want eten is nooit alleen voeding. Het is aandacht, respect, een vorm van zorg. En wanneer dat ontbreekt, proef je dat. In elke hap die er niet is, in elke belofte die niet wordt nagekomen.
Eten wat de pot schaft? Misschien. Maar dan moet die pot wel eerlijk, worden verdeelt
Carpe Diem!
Pijn!
Ongemak
Brandend aan koud water, zo voelt het soms. Een paradox die moeilijk uit te leggen is aan anderen, maar des te echter in het lichaam aanwezig. Lewy Body zadelt je op met pijn die niet altijd zichtbaar of logisch lijkt. Mensen zeggen al snel dat het wel meevalt, of dat de symptomen niet overeenkomen met wat zij denken dat de ziekte is. Het woord “hypochonder” ligt dan op de loer, alsof de ervaring minder echt zou zijn.
Maar het lichaam vertelt een ander verhaal. De ochtenden beginnen zwaar, waardoor morfine, in de ochtend, opnieuw een plek heeft gekregen in het pillenpakket, simpelweg om de dag op gang te helpen. Dat is geen overdrijving, maar een manier om te functioneren. Elke vorm van Lewy Body is anders; het nestelt zich op unieke wijze in de hersenen en uit zich daardoor bij iedereen verschillend. Mijn mening!
Naast het constante gepiep tussen de oren, een indringend geluid dat nooit helemaal wegvalt, is er nu ook die zeurende pijn in de linker nierstreek. Altijd aanwezig, als een stille metgezel die niet wijkt. Het is geen scherpe pijn die komt en gaat, maar een constante druk die het dagelijks leven kleurt.
Tussen twijfel van buitenaf en de realiteit van binnen ontstaat een spanningsveld. Toch blijft één ding overeind: wat gevoeld wordt, is echt. En in die realiteit moet een weg gevonden worden, elke dag opnieuw.
Carpe Diem
De eerste weken ouderschap
De kamer is stil. Jij slaapt. We kijken te vaak of je nog ademt. Een hand boven je borst, heel licht, alsof we je niet willen wekken maar wel willen weten: je bent er nog.
We gaan nergens meer heen. De bioscoop kan wachten. Een avond uit voelt plots ver weg.We staan liever naast je bed en noemen dat wenselijk genoeg.
De oppas zit klaar, maar na een uur zijn we terug. “Laat maar, wij doen het wel.” We betalen haar en lachen wat ongemakkelijk. Alsof we dit allemaal begrijpen.
Nachten duren anders nu. Minder rumoer, meer luisteren. Je huilt, wij staan op. Geen discussie, geen plan, alleen doen wat nodig is.
We beginnen vanaf nul. Niemand vertelt precies hoe het moet. We proberen, twijfelen, leren opnieuw. Soms te voorzichtig, soms te snel, maar altijd met jou in gedachten.
Iedere ouder doet het anders. Toch lijken we op elkaar: we zoeken houvast in kleine dingen, een ritme dat langzaam groeit.
En jij bepaalt meer dan wij willen toegeven. Een kleine beweging en alles verandert. Wij passen ons aan, stap voor stap.
Zo worden we ouders. Niet in één keer, maar elke dag een beetje meer.
Carpe Diem
Huil jij ook Opa!
Marcus, kind van tweeën en licht
2:22
Een tijd die niet tikt maar fluistert, een opening in de nacht waar het leven zelf even stil staat om adem te halen en dan, jou laat binnenkomen.
Op 2 april, de tweede maand van oud geheugen, nog vóór de namen die wij eraan gaven, toen tijd nog rond was als een vrucht en niet recht als een lijn. En daar was jij, Marcus,
Een naam als steen en zon tegelijk, gedragen door eeuwen en nu plots zacht als huid, warm als melk, nieuw als adem. Er is mijn zoon die vader wordt en groeit zonder dat iemand het meteen ziet, en schoondochter idem dito, totdat hun ogen verraden dat er iets is, is verschoven, dat liefde veel meer is.
Stoer, zeg je, maar stoer is hier niet hard, het is dragen, het is blijven, het is handen die weten hoe voorzichtig kracht moet zijn. En twee opa’s met ringbaarden, ik zie ze al, lachend om hun eigen ontroering, alsof ze zich verstoppen achter hun grapjes maar hun tranende ogen verraden alles.
Opa worden is smelten in slow motion.En de kringen gaan verder, steeds verder, over het water van ons bestaan. Een kiezel van liefde, gevallen in tijd, en niets blijft hetzelfde daarna. Rond en ronder, zachter en dieper, wij worden gedragen door wat wij beginnen.
Alle generaties staan ineens naast elkaar alsof tijd zich heeft opgevouwen tot een klein moment dat makkelijk in twee armen past. Oma, oud-oma, tantes die er zich nog tussenin mengen en daar ergens een lichte aarzeling voelen. Ben ik dit al? hoor ik hier al bij? Maar het leven vraagt niet, het legt zacht een hand op je schouder en zegt, kijk maar, voel maar, je bent het al.
Marcus,
jij bent nog niets en alles tegelijk. Je weet niets van namen, van Romeinen, van eeuwen die je dragen, van verwachtingen die om je heen zweven als stof in zonlicht. Je weet alleen de hartslag van nabijheid, de geur van huid, de zekerheid dat je wordt vastgehouden, de zuiverste vorm van weten die er bestaat.
Er zullen dagen komen dat je rent zonder reden, valt zonder schaamte, lacht zonder rem. Dagen dat je vragen stelt waar geen antwoorden voor zijn, en toch zal iemand proberen, die antwoorden je te geven.
En de kringen gaan verder, steeds verder, over het water van ons bestaan. Een kiezel van liefde, gevallen in tijd, en niets blijft hetzelfde daarna. Rond en ronder, zachter en dieper, wij worden gedragen door wat wij beginnen.
De (schoon)moeders ze lachen misschien een beetje ongemakkelijk, alsof het woord “oma” nog niet helemaal past in de spiegel hunner bestaan. Maar woorden groeien zoals jij groeit, Marcus, ze rekken zich uit, vinden hun vorm in de warmte die ze dragen. En op een dag zullen ze het zeggen zonder aarzeling, en het zal klinken als thuiskomen.
Het wonder is niet dat jij geboren bent, het wonder is dat wij blijven geloven en voelen alsof het de eerste keer is. Dat elke nieuwe adem een opening maakt in het oudere hart, dat al zoveel heeft gezien en toch weer begint.
Ik denk aan water, altijd weer dat water, hoe het niets weigert en alles draagt. Een kiezel valt en even is er verstoring, maar kijk dan, hoe schoonheid ontstaat uit die kleine kolk.
Zo ben jij, Marcus, een rimpeling in de tijd die ons herinnert dat stilstand niet bestaat dus nooit de bedoeling is. En de kringen gaan verder, steeds verder, over het water van ons bestaan. Een kiezel van liefde, gevallen in tijd, en niets blijft hetzelfde daarna. Rond en ronder, zachter en dieper, wij worden gedragen door wat wij beginnen.
Welkom Marcus, die het licht ziet, en brengt!
Carpe Diem!
Doppler
Doppler in mijn hoofd. Geluid schuift van links naar rechts. Alsof ik tussen twee boxen lig en alles langs mij heen beweegt.
Doppler terwijl ik stil zit. Toch draait de wereld van geluid. Kloppen op deuren die er niet zijn, een stofzuiger die blijft hangen.
Doppler maakt lagen los. Geluiden lopen niet meer samen. Knal hier, tik daar, alsof mijn hoofd uit sporen bestaat.
Doppler en pijn tegelijk. Steken die komen en gaan, druk die zich vastzet zonder duidelijke plek.
Doppler in een koud lichaam. Warmte zakt weg, ik stapel lagen kleding op, op mijzelf maar warmte bereikt mij niet.
Doppler zonder rust. Geen begin, geen einde. Alleen beweging van geluid dat mij niet meer volgt.
Doppler, en ik luister. Alsof dit normaal moet zijn. Alsof mijn hoofd dit zelf heeft aangezet.
Doppler. Geluiden nemen ruimte in. Ik word er kleiner van, tot ik er bijna niet meer ben.
Carpe Diem
Heengegaan
Hel en Hemel
Hel is het gemis dat te vroeg begon. Een kind dat “oma” wil zeggen maar nog struikelt over de o, alsof de taal zelf even hapert bij wat niet blijven mocht.
Tussen hel en hemel blijft een zachte leegte staan, een plaats aan tafel die niemand werkelijk vult.
Hemel is dat wij haar kenden. Dat wij haar stem hoorden tussen de Haagse manieren, waar beleefdheid en humor elkaar stil verstaan.
Tussen hel en hemel blijft een zachte leegte staan, een plaats aan tafel die niemand werkelijk vult.
Tien minuten verf en aandacht: een projectiel dat tussen hoge huizen schiet. Haar mentor zag het meteen, meesterwerk! Soms herkent een ander het licht dat iemand achterlaat. En ergens in dat beeld rijdt een wagon van herinnering mee. Misschien zat daar ooit haar dierbare, reizend door dezelfde tijd die nu ook haar verder draagt.
Tussen hel en hemel blijft een zachte leegte staan, een plaats aan tafel die niemand werkelijk vult.
Gisteren was het afscheid. De moed ontbrak mij er te zijn. Soms gaan dingen te snel haar heengaan dit afscheid veel te snel. En toch blijft zij aanwezig in kleine dingen: een blik, een schilderij, een lichte glimlach die nog door het huis beweegt.
Hemel!
Carpe Diem!
Geluk
Fladdert het Geluk
Geluk
Geluk, is wachten op het juiste moment, maar vaak komt het te laat tot je ogen. Dan fladdert het weg als een manke duif boven daken van twijfel en vragen. Je staat daar met open handen, alsof de lucht iets had beloofd. Maar misschien was het er al in het trillen van je vingers, in de adem die je nog hebt.
Dus vertrouw op liefde onder familie, op handen die je niet ziet maar wel voelt. Soms gaat het zomaar jaren goed zonder reden, zonder plan. Geluk is geen bezit het landt even op je schouder en vliegt weer verder.
Als een brief aan een geliefde schrijf ik mezelf terug in het leven. Blijf spartelen, zeg ik, zo gek deed je het nog niet. Je deed niets verkeerd, hooguit anders dan verwacht. En verwachtingen, die hangen zwaar aan de kapstok van een wereld die haast heeft.
Dus vertrouw op liefde onder vrienden, op handen die je niet ziet maar wel voelt. Soms gaat het zomaar jaren goed zonder reden, zonder plan. Geluk is geen bezit het landt even op je schouder en vliegt weer verder.
Wordt wakker. Jaag je handen door mijn haar. De nacht zit nog vol gedachten die te zwaar werden om te dragen. Maar wacht ben je niet zelf de regisseur van al die verwachtingen? Misschien moet je er niet te lang naar kijken. Sommige vragen zijn te groot voor het ochtendlicht.
Overleden dromen, wedergeboorte van moed. Een schone lei onder een hemel die niemand bezit. Niemand geeft je de macht, niemand ontneemt je die macht. Je draagt haar zelf, als een geheim vuur. En legt hem makkelijk af!
Vertrouw op liefde onder kameraden, op stemmen die je naam blijven zingen. Zelfs in een koude wereld vol oorlog en onbegrip kan iets moois ontstaan, iets dat sterker is dan angst. Geluk is een vogel die even rust in je borst.
En ergens, tussen puin en stilte, tussen gisteren en morgen, begint het weer.
Geluk. Nieuw leven.
Carpe…..!
Interview
https://www.dementie.nl/nieuws/bonusaflevering-door-met-mijn-dementie
Hier mijn kant van het verhaal
Een filmpje bracht mij dit
Het hart als een bas, begint laag. Langzaam. Als een hart dat geen haast heeft.
dum, dum, dum
Ik sta in een huis dat ik ken. Of denk te kennen. Familie,Weekend, zeggen ze. Het woord rolt door de kamer als een bal waar iedereen even tegen tikt.
Familie.
Weekeinde.
Samen.
Nieuwe gezichten staan naast oude gezichten.Kinderen die ooit klein waren zijn plotseling groter dan de herinnering die ik van hen droeg. Nieuwe lichtingen, fluistert iemand. Het klinkt als lente in een militair rapport.”Nieuwe lichtingen.”
Stoelen schuiven. Koffie ademt. Lepels tikken tegen porselein. En alles gebeurt tegelijk.
Mijn hoofd probeert één gesprek te volgen. Maar gesprekken vermenigvuldigen zich. Zoals vogels dat doen als ze plotseling opstijgen uit een veld. Duizend woorden vliegen door de lucht van de kamer.
Sommige landen op tafel. Sommige op mijn schouders. Sommige verdwijnen voordat ik ze kan zien.
dum, dum, dum
Aan de koude kant zit een tante. Aan de warme kant zit een oom. Maar temperatuur is een ingewikkeld begrip als je hoofd zijn eigen klimaat heeft. Iemand vraagt hoe het gaat. Ik antwoord ja. Of nee. Of iets ertussen dat klinkt als een deur die half dichtvalt.
Familie praat verder. Het is een oceaan van stemmen. En ik dobber. Soms komt er een golf van herinnering. Een verhaal dat ik al veertig winters heb gehoord. Een grap die ouder is dan het tafelkleed. Iedereen lacht op precies het juiste moment.
Ik lach ook. Of misschien beweegt mijn gezicht gewoon mee met de kamer.
dum, dum, dum
Ik kom wel uit bed vandaag. Ik kom wel uit bed vandaag. Ik kom wel uit bed vandaag. Het mantra van mijn ochtend.
Soms moet een mens zichzelf drie keer roepen voordat hij verschijnt. Ik draag de lente in mijn jaszak. Niet groot. Meer een kleine zon die nog oefent. Buiten drijven wolken als traag verkeer. Binnen drijven verhalen.
Een kind rent door de gang. De gang wordt even een tunnel naar vroeger. Ik zie schoenen die hier ooit stonden. Stemmen die al jaren stil zijn. Tijd is geen rechte weg vandaag. Tijd is een vijver waar stenen in vallen.
Plons. Plons. Plons.
Iedere plons maakt cirkels. Iedere cirkel raakt een herinnering.
dum, dum, dum
Soms staat er iemand in de kamer die niemand benoemt. Een schaduw misschien. Een gedachte met benen. Ik knipper met mijn ogen. De kamer blijft bestaan. Dat is al winst.
Familie beweegt als weer. Lachen komt opzetten als wind. Iemand vertelt over werk. Iemand vertelt over vroeger. Iemand vertelt over een buurman die niemand hier kent.
Woorden bouwen een dorp in de lucht. Ik wandel erdoorheen. Soms raak ik een zin kwijt. Soms vindt een zin mij. Dat is het vreemde contract tussen hoofd en wereld.
dum, dum, dum
Koude kant. Warme kant. Maar ergens in het midden staat een stoel waar temperatuur niet bestaat. Daar zit ik. Niet verloren. Niet gevonden. Gewoon aanwezig zoals een wolk aanwezig is.
Niemand vraagt een wolk waar hij vandaan komt. Niemand vraagt een wolk waarom hij verandert. Een wolk is genoeg. Misschien is een mens soms ook zo.
dum, dum,dum
Ik kom wel uit bed vandaag. Zelfs als de vloer een beetje golft. Zelfs als stemmen door elkaar groeien zoals klimop langs een muur. Zelfs als mijn hoofd soms een kamer opent waar niemand anders binnenstapt.
Ik kom wel. Ik kom wel. Ik kom wel.
Familie blijft praten. De tafel verzamelt kruimels van brood en tijd. Iemand vult glazen. Iemand haalt adem om een nieuw verhaal te beginnen. En plotseling zie ik het.
De zon.
Niet groot.
Niet dramatisch.
Gewoon een stuk licht dat door het raam glijdt en op de tafel landt alsof het daar gereserveerd was. Iedereen praat nog. Maar het licht zegt niets. Het ligt alleen. En ik voel hoe stilte soms midden in geluid kan groeien. Zoals gras tussen stoeptegels.
dum, dum, dum
Misschien is dit de laatste keer dat deze kamer zo vol is. Misschien ook niet. De toekomst is een gesloten envelop.
Vandaag is een open raam. Ik kijk naar gezichten. Gezichten kijken terug. Sommigen herken ik meteen. Sommigen moet mijn hart eerst vertalen. Maar warmte is een taal zonder woorden. Daar ben ik nog vloeiend in.
dum, dum, dum
De middag zakt langzaam. Gesprekken worden zachter. Stoelen verschuiven opnieuw, maar nu als vermoeide dieren. Kinderen worden slaperig. Koffie wordt thee. Gelach wordt herinnering terwijl het nog gebeurt. Buiten wordt de lucht groter. Wolken trekken uit elkaar zoals gordijnen die open gaan. Iemand zegt: kijk eens naar dat weer. En iedereen kijkt even. Zelfs ik. En daar is hij. De lente. Niet luid. Niet spectaculair. Maar aanwezig zoals een ademhaling.
dum, dum, dum
Ik sta op. Niet snel. Niet dramatisch. Gewoon langzaam genoeg zo dat mijn lichaam mij kan bijhouden. De kamer draait niet.De stemmen vallen niet om. Alles blijft waar het is. Dat is soms al een wonder. Familie om mij heen. Lucht boven mij. Bas onder alles.
dum, dum, dum
Ik kom wel uit bed vandaag.En morgen misschien weer. En ergens daarboven, achter wolken en herinneringen, staat de zomer al te wachten. Rustig. Zoals familie dat soms kan zijn. Als je goed luistert. En als de bas blijft spelen.
dum, dum, dum.
Carpe Diem!
Lente zon
Ik fietste met snot tot aan mijn kin, de wind blies dwars door mijn botten heen. Mijn linkervoet trok kramp als een leugen, maar ik trapte hem koppig weer recht en alleen.
Want het leven, ach ja, dat schuurt en dat wringt, het lacht je uit terwijl het je troostend, om zingt! En al piep ik, en kraak ik van binnen, misschien, ik fiets, dus ik ben er nog. Dat is gezien.
Veertien graden, gevoelsstemperatuur, met grootheidswaan, achttien als je het mooi wil praten. De zon deed alsof ze mij kende, maar bleef op veilige afstand staan.
Want het leven, ach ja, dat schuurt en dat wringt, het lacht je uit terwijl het je troostend om zingt. En al piep ik, en kraak ik van binnen, misschien, ik fiets, dus ik ben er nog. Dat is gezien!
Langs parken die doen alsof vrede bestaat, waar het gras zwijgt over wat mensen verzwijgen. Je onthoudt het mooiste maar, beter voor jezelf, niet, want delen maakt alles meteen weer kleiner.
Want het leven, ach ja, dat schuurt en dat wringt, het lacht je uit terwijl het je troostend om zingt.. En al piep ik, en kraak ik van binnen misschien, ik fiets, dus ik ben er nog. Dat is gezien.
Ik kocht onderweg, sambal, 1 potje niet 2 potjes, uit pure baldadigheid. Juist,! niet voor de korting van twee, maar voor de rebellie. Want wat is er zieliger dan netjes genoegen nemen met, precies of meer, genoeg ellende per dag?
Want het leven, ach ja, dat schuurt en dat wringt, het lacht je uit terwijl het je troostend om zingt. En al piep ik, en kraak ik van binnen misschien, ik fiets, dus ik ben er nog. Dat is gezien.
Dit is geen lied dat iemand wil zingen perse, het is meer een bekentenis met of zonder een lekke band. Maar huilen mag, en lachen ook, zolang je maar blijft trappen, al is het met tegenzin.
Carpe Diem!
Teheran!
Iedere nieuwe generatie loopt meer risico, zo zeggen ze. ‘Niet hardop”. Alsof gevaar een erfstuk is dat stilletjes wordt doorgegeven bij de geboorte, samen met de kleur van je ogen en de vorm van je handen. Alsof je al besmet bent voordat je ook maar één ademteug van de wereld hebt genomen.
De toxicoloog op televisie, streng, stem strak als een laboratoriumjas, zegt het met cijfers. Grafieken kruipen omhoog als klimop langs een muur, je ruggengraat. Meer gif in onze bodem. Meer in het water. Meer in het lichaam. Het zit in ons bloed, zegt de toxicoloog alsof het over een administratief detail gaat. Alsof het niets is om van te schrikken.
Maar wat mij raakt, is niet de wetenschap. Het is de vanzelfsprekendheid waarmee het wordt uitgesproken. Alsof het een natuurwet is. Alsof het zo hoort. Alsof het logisch is dat de toekomst steeds zwaarder wordt om te dragen. En dan is er die aanraking. Die zegt het goedbedoeld, dat hoor je. Het, legt zijn hand even op mijn arm, als een pleister geplakt op iets wat niemand kan zien. “Eigen schuld,” zegt het zacht. “Jullie” ‘generatie’ kiest er toch zelf voor? Alles moet sneller, meer, anders, extremer.”
De hand, bedoelt het niet hard, kwaad. Maar het snijdt wel. Want het vergeet. Niet uit kwaadheid maar uit gemak, onwetendheid. Uit die vreemde menselijke neiging om het verleden op te poetsen tot iets wat netjes en onschuldig oogt in het nu. Het vergeet wat er is besloten is in zijn jeugd. Wat er is toegestaan. Welke stoffen als veilig werden bestempeld omdat ze winst opleverden. Hoe men wist, “of had kunnen weten” en toch doorging. Hij vergeet de fabrieken die draaiden als kloppende harten van vooruitgang, terwijl ze langzaam hun donkere adem over velden en rivieren bliezen.
Ik vergeet dat ouders trots waren op die groei, omdat niemand hen vertelde wat de prijs zou zijn. En nu staan wij in de nasleep, als erfgenamen van beslissingen die nooit door ons zijn genomen, Wij drinken water dat verhalen draagt. Wij ademen lucht waarin geschiedenis zweeft. Wij dragen lichamen die archieven zijn van andermans keuzes.
Eigen schuld?
Dat is een merkwaardige beschuldiging aan mensen die geboren worden in een wereld die al lang is ingericht voordat zij hun eerste stap zetten. Nee. Het is geen schuld. Het is erfenis. En niet van de mooie soort. Het is een erfenis van ontkenning, van korte termijn, van de troostende gedachte dat vooruitgang altijd goed is…zelfs wanneer hij stilletjes iets kapotmaakt. Wat mij het meest verdrietig maakt, is niet het gif zelf. Het is de eenzaamheid van het besef van dat gif. Dat gevoel dat je leeft in een tijd waarin iedereen het eigenlijk weet….maar het liever niet helemaal wil voelen.
Want voelen betekent verantwoordelijkheid. Voelen betekent erkennen dat risico geen natuurverschijnsel is, maar een keuze die ooit door ons mensen is gemaakt. En toch geloof ik het liefst: Elke generatie erft niet alleen schade en schande, maar ook de mogelijkheid om te breken met wat haar werd opgelegd. Misschien is dat onze echte erfenis. Niet het gif maar het vermogen om eindelijk te zeggen: Tot hier.! Niet verder!
Carpe Diem!

