Atelier MarcelMïrô
Drieluik?
De nacht hangt als een losse draad aan de rand van een oude jas. De stad wiegt zichzelf in slaap, maar niemand durft zijn ogen te sluiten.
Ik hoor het neuriën van stenen, het trage zuchten van een lantaarnpaal die allang te veel heeft gezien, de haast, de honger, het wegkijken dat pijn doet.
Een man tekent cirkels in het stof, alsof elke kring een grens is tussen wat blijft en wat verdwijnt. Ik vraag het niet hardop, maar toch fluistert iets: wie ziet hier eigenlijk wie?
Er lopen mensen zonder schaduw, hun verhalen opgegeten door etalages die nooit knipperen. En toch, ergens achter glas tikt een hart dat zich niet laat verkopen, een kleine rebellie van bloed en ritme.
Zo valt de nacht niet neer, maar open. En wie luistert, hoort een lied dat geen rust belooft, maar wél een richting!
Sta op, zet één voet in de scheur van het licht, en wees niet bang om gezien te worden door een wereld die te lang sliep.
Carpe Diem!
Voor iedereen! Happy Hollidays.
Dit schilderij… het voelt alsof het winterlandschap heeft leren ademen in kleur, en toen heeft gezegd: “Nu, laat het maar zingen.”
Hier geen koel, afstandelijk expressionisme dat je met rauwe streken omver beukt, dit is eerder een zinderende emotionele golf, een soort lyrisch expressionisme dat flirt met het impressionisme. De wereld is opgebouwd uit pulserende vlekken blauw en goud, als licht dat blijft trillen op je netvlies.
Die zon, evenzogoed is het de maan die. zweeft als een warme herinnering in een koude wereld. En dat pad rechts, dat kleine slingerende spoor, lijkt te fluisteren: “Kom, verdwalen mag.”
De bomen zijn schaduwen van zichzelf, strepen van melancholie in een landschap dat tegelijk troostrijk en fragiel is. Alsof je kijkt naar een moment dat niet langer blijft dan een ademhaling, maar toch eeuwig ergens in je borstkas wil wonen.
Expressionisme in de zin dat het niet de werkelijkheid schildert, maar mijn binnenwereld, dat warme en koude tegelijk, dat zachte gezoem van licht dat tegen de stilte beukt! Kortom abstract!
pluk het leven!
De Gevangene!
The prisoner 1971 (van Gil Scott-Heron) beluistert en vertaald in het licht van deze Krita-prent
De Gevangene
Ik ben geen man van muren, maar van het bleke winterlicht dat mij tegelijk vasthoudt en bevrijdt.
De kou legt een hand op mijn schouder, niet hard het voelt meer als een herinnering aan wat stilte kan zijn wanneer de wereld eindelijk ophoudt met duwen.
Aan de overkant van het water staan de bomen als wachters, maar ze oordelen niet. Ze fluisteren alleen, je bent nog hier, nog steeds een mens, ook al voelt mijn hart soms als ijs dat nergens heen kan behalve naar binnen.
En toch…in de weerkaatsing van de zon zie ik iets dat lijkt op hoop, een trilling, een zachte breuk in het blauw. Misschien is gevangenschap niet altijd een cel, maar soms gewoon een seizoen, en dan dat zelfs de strengste winter ook dooi in zich verscholen heeft.
Hij Gil, spreekt als iemand die vastzit niet alleen achter tralies, maar in een systeem dat hem al vóór zijn geboorte de ketens omdeed. De celmuren zijn stenen versies van oude vooroordelen, en elke voetstap van zijn bewaker echoot de geschiedenis van macht die zich verschuilt achter regels en uniformen.
Toch heeft hij een stem, een vonk. Hij weigert volledig bezit te worden van het systeem dat hem opsluit. Hij kijkt door het smalle raam, ziet een scheur in de lucht een tekening van vrijheid, fragiel maar echt.
Het nummer is een aanklacht, tegen racisme, tegen onrecht, tegen het idee dat een mens gereduceerd kan worden tot een nummer. Het is ook een fluistering van hoop, een geest kan men niet opsluiten zolang hij blijft spreken. Hij zit opgesloten, maar het zijn niet alleen muren die hem vasthouden.
Het is een erfenis van wantrouwen, een geschiedenis die als een koude hand om zijn schouders rust. De cel is slechts een decor; de echte tralies zijn oud, slijten nauwelijks, en dragen namen als angst, vooroordeel, macht.
Hij voelt hoe het systeem hem wil herscheppen tot stilte, maar zijn gedachten weigeren bevelen. Ze kloppen tegen de muren als een hart dat niet wil toegeven. Hij spreekt voor allen die onzichtbaar zijn gemaakt, voor wie begraven zijn onder dossiers en regels, voor wie nooit eerlijk zijn gezien.
En toch ergens, tussen de scheuren van beton, brandt een dunne draad van licht. Niet genoeg om uit te breken, maar genoeg om te blijven geloven dat een mens meer is dan zijn kooi.
De Gevangene.
De gevangene in zijn cel, hij zit niet alleen met zijn herinneringen, hij zit er ook met een eigen, onverwoestbaar licht. Het systeem kan hem in een hok zetten, maar zijn geest is een reiziger die geen muren kent.
Waar anderen alleen beton zien, ziet hij plekken waar het ooit zal scheuren. Elke dag dat hij ademt, tikt hij een gaatje in het donker, klein, maar echt, een belofte verpakt in geduld.
Hij voelt het ritme van de wereld achter de muren, en soms lijkt het alsof de wind door het raamrooster een toekomst binnenfluistert waarin niemand, nog klein gehouden wordt.
Zijn stem, rauw, vol krasjes, is een vonk die weigert te doven. Hij spreekt niet alleen uit protest, maar uit liefde voor wat mogelijk is: een dag waarop menselijkheid harder klinkt dan kettingen.
Hij is een gevangene, ja, maar in zijn hart oefent hij al de stappen van iemand die straks de deur uitloopt en weer voluit mens is.
Carpe Diem!
Babbels en Krabbels
Soms voelt het alsof mijn gedachten net zulke scheve daken hebben als de huizen die ik schilder. Ze leunen tegen elkaar aan, bang om om te vallen, moe van de nachten die langer lijken dan ze zouden mogen zijn. Toch blijft er een zachte gloed hangen, alsof de duisternis me niet helemaal kent.
Ik zie het licht komen zoals het soms in mij komt, schuifelend, voorzichtig, met een kleur die ik niet meteen herken. Het raakt mijn binnenmuren, mijn rafelranden, mijn plekken waar herinneringen zich hardnekkig vastklampen. Het zegt geen woord, maar het blijft, en dat is al veel.
De toren in mijn stad lijkt op mijn eigen wervelkolom niet meer kaarsrecht, maar nog altijd drager van verhalen. Hij hoort dingen die niemand ziet, ademt in schokjes, en kijkt toch elke ochtend weer op alsof hij wil zeggen: “Ik ben er nog. Jij bent er nog.”
De rook die opstijgt lijkt op mijn gedachten op dagen dat het geheugen zich terugtrekt als eb. Wazig, zoekend, ontegenzeggelijk van mij maar niet helemaal te grijpen. En toch, ook rook weet een, vindt een richting. Misschien, ik dan ook.
En dan, als ik het bijna opgeef, glijdt er een kleur langs mijn ribbenkast die me zachtjes wakker kust. Niet als een overwinning, maar als een uitnodiging. Een trilling die zegt, roept “Er is meer vandaag dan ik gisteren verloor.”
Zo ontwaak ik. Niet snel, niet luid, maar samen met de stad die uit mijn handen kwam. We schudden tegelijk het nachtstof af, de plooien van twijfel, de kromme lijnen van vermoeidheid. En in dat gedeelde ademen hoor ik iets dat lijkt op hoop. Zonder uitroepteken. Maar wel heel echt.
Carpe Diem!
Pillen!
Half vijf. De nacht nog dicht als een gesloten mossel. En toen, toen dat geluid. Een alarm dat nergens vandaan kwam, maar dat mij toch uit mijn lichaam trok en op mijn blote voeten door het huis stuurde, alsof de muren zelf riepen.
Rondgelopen in stilte die te luid was, niets gezien, niets gevonden, behalve dat nare gevoel dat als een schaduw aan mijn hiel blijft hangen. Terug naar bed maar de nacht had zich al geopend, de sluizen van verbeelding losgewrikt.
Wat er toen gebeurde, voelde als in full colour, de tinten van angst zo scherp dat je ze kon aanraken. Droom, nachtmerrie, hallucinatie woorden die allemaal net niet passen, alsof mijn geest even een andere deur binnenstapte maar mij vergat mee te nemen.
En dan die pillen. Steeds meer, steeds voller, als een medicijnkast die zwaarder wordt dan je schouders. Alsof elke pil een stukje van de nacht probeert te bezweren, maar nooit helemaal wint.
Toen de ochtend eindelijk kwam, het licht zo onschuldig als een ongeopend boek binnenkwam, lag mijn bed er bij alsof er een storm doorheen was gegaan, lakens losgewoeld, dekbed ontrafeld van overtrek, als stille getuigen van een strijd waarvan alleen ik weet hoe echt hij was.
Er zit iets tragisch in zo’n nacht. Iets rauws, iets eerlijks. Alsof de ziel even in de wind heeft gestaan en dan langzaam weer terugkomt om zich naast me neer te leggen in mij terug te keren, ademend, wachtend op rust.
Carpe Diem!
Nieuwe Mast
Nieuwe mast
Er stond ineens een nieuwe mast. Als een hoge boom, fors iets van het midden op het schip, zijn huis, een ranke kolom die fluisterde dat elke storm te temmen valt.
Publiek, de buren schoven binnen, voeten, wieltjes over de vloer, nieuwsgierige ogen die het werk als een welkome afwisseling bekeken.
En ja, ik zag vol bewondering 88 jaar enthousiast bezig zoals hij doet en kan en dat bij zijn klussen hoort: die oude combinatie met het nieuwe vol elan.
Friese handen aan het werk.Handen die weten hoe hout zingt en hoe schroeven zich gedragen. Handen die het ogenschijnlijk onmogelijke met één rustige ademhaling gewoon regelen.
De megaklus smolt om tot kinderspel, een soort tovenarij die je alleen ziet als je heel dichtbij staat.
En ik zweer het je, op dat moment zwiepte de mast zelf, alsof hij erkende dat deze mensen de wereld steviger maken zonder lawaai, kundig met een glimlach die nergens om vraagt.
Carpe Diem
Vol hoofd, niet synchroon met plaatjes!
Hier is een vers dat al enige tijd, ademt als een stil vallend gordijn, terwijl de toekomst zijn koude handen alvast warm wrijft aan datzelfde koude gordijn:
Littekens
Er liggen littekens in mij te sluimeren, niet zichtbaar, maar voelbaar als scheuren in oud hout. Ze kraken wanneer de avond me zachtjes vraagt of ik nog weet wie ik ben. Of ben! Dat, en dat, voordat de nevel zijn tentakels om mijn brein zich sluit.
Ik schuil. Niet laf, maar slim als iemand die weet, dat de storm geen medelijden kent.Ik trek een dunne mantel van herinneringen strak om mijn te smalle schouders, en weet ze nog even warmte te geven. Nu het geheugen alweer een deur sluit.
Dementie is geen vijand die schreeuwt, maar een sluiper die fluistert in de rafels van het brein. In mijn denken ook hoor! Herkenning waardoor? Het is als een vogel die niet stil zit.
Nu verzet ik me nog, elke stap, elke zin, elke flard die blijft hangen, daar klamp ik mij aan vast, of daar kerf ik kleine tekens in, in die kerf, kerf ik de tijd. Mijn tijd!
Geen wonden, maar sporen van wie ik ben of was, zodat, wanneer het onbekende eindelijk binnenkomt, het weet dat ik niet stil heb gezeten.Dat ik heb geleefd en dat, de littekens brandend, maar niet vergeefs zijn geweest.
Carpe Diem
Thema Boos
Onmacht kruipt soms als een kille draad langs mijn ruggengraat, het trekt aan mijn schouders alsof er iemand achter mij staat. En fluistert dan, dat ik niets kan, dat ik slechts toekijken mag, hoe ik zie, hoe mijn eigen leven van mij wegdrijft als een Espenblad in de goot op straat.
Maar dan, ergens diep in mijn binnenste, begint een andere motor te draaien. Niet zacht, niet zedig, maar met het felle ritme van te lang ingeslikte woorden.
Met een soort vuur dat weigert te knielen, het soort boosheid dat geen toestemming vraagt.
Onmacht, boosheid wordt dan als een stormram die ik in één ruk optil, te wild misschien, maar eindelijk vrij van het onbegrip.
Overmoed treedt binnen, grijnzend als een gesloopte zot. Hij gooit zijn arm om mij heen en zegt dat alles vandaag omver mag.
Dat ik, uitgerekend ik, het decor mag herschikken en de stilte mag splijten. En daar woedt ik dan, half ik, half het, en men deinst even terug.
Want niets is zo luid als iemand die het zat is om onbegrepen te worden. Onmacht knettert. Boosheid brult. Overmoed danst op tafel.
En ik, ik in het middelpunt, ik adem eindelijk weer, vrijuit zonder toestemming!
Carpe Diem!
Herfst wordt Winter!
Chaos en Koppigheid
Soms vergeet ik waar m’n bril is, of waarom ik hem zocht.Dan lach ik maar om mijzelf
De klok tikt in een tempo dat enkel het’ nog snapt.Ik leef en dans op mijn eigen ritme, ik zing een beetje, een beetje vals.
Soms praat ik met een schaduw, zeg ik: “iets?” En bij geen antwoord. denk ik: prima toch,!
Maar weet je wat me gaande houdt? ’t Zijn niet de pillen of de koffie ’t Zijn de mensen om mij heen!
M’n brein de grote grap, een dwaalspoor of een dans. Maar zolang ik lach en beweeg geef ik het leven nog een kans.
Carpe Diem!
Impressionant!
Katholiek, zo menselijk breekbaar
Huilend viel ik hen toe, niet met tranen, eerder water uit de ziel met dat diepe gebrom dat ergens diep in het middenrif sluimert, de oerklank die geen naam wil dragen.
De kunsttranen stonden nog op de wastafel als vergeten relikwieën, maar in de kapel zelf bruiste het rauwe werk: verloren stemmen, handen die elkaar vonden, gedachten aan de tijd, tijd slechts een zomerdag, met buren die je naam roepen over de heg.
Dertig jaar vriendschap werd ineens een kapel, vol echo’s van gezamenlijk leven, en daar stond ze opgebaard, met een hart dat groot genoeg was voor zoveel, familie en vrienden..
De dag erna bleef het verdriet, als een stille gast aan tafel zitten. Waar het blijft kijken met die blik van. Ze is nog niet weg.
Misschien hoeft dat ook niet. Rouw is als een oude hond die een tijdje bij je voeten ligt, niet om te bijten maar om te zeggen; dat liefde nooit alleen komt, en nooit helemaal vertrekt.
Carpe Diem!
Lewy Body
Lewy Body
In mijn hoofd woont een vreemde logé, een stille saboteur die soms aan de draden rammelt en dan weer dagenlang niets zegt.
Hij strooit schaduwen in kamers waar ik net nog licht vond, laat gesprekken kantelen en verandert tijd in een wiebelende stoel.
Toch blijf ik staan.Want ergens diep onder dat nerveuze onweer leeft er nog een kordate gast, niet van staal, maar van herinnering, van koppigheid, van iets dat weigert te buigen voor ruis.
Ik voel hoe mijn geest soms kraakt, maar ook hoe hij ademt, hoe hij zich opnieuw uitvindt in onverwachte kleuren.
En ja, er zijn dagen dat ik de wereld scherp zie als door een glasraam en ik eindelijk rust vindt. Dagen waarop ik mezelf weer herken en ik mijn naam hoor als een muziekstuk.
Lewy Body mag dan rommelen in mijn hoofd, maar boven blijft het huis bewoond.Met geur van koffie, met stappen die tellen, met hoop die niet vraagt om toestemming.
Carpe Diem
Kwintet
Wanneer je iets vergeet heb je het ook niet nodig! Tinnitus met gesloten ogen bracht mij tot het volgende K. A. Kwintet!
Er wordt mij de afgelopen tijd weer wat vaker gevraagd hoe ik de dag ervaar als Lewy Body Patiënt, hoe kom je de dag door?
In de morgen avond en nacht. Meestal, niet altijd, zoek ik daar iets achter. Heb ik iets verkeerd gedaan ben ik weer eens iets vergeten! Ben ik een hele week geplaagd door fysieke malaise, heb ik zomaar ineens een goede dag. Blij om hoor, iedere goede dag maakt veel goed. Maar die onzekerheid grenzende aan paranoia is groeiend.
Plaatjes en Praatjes is destijds begonnen als verstrooiing en het uiten van mijn gemoedstoestand. Ik heb het idee dat de afleiding me goed doet, het toont niet altijd maar afleiding is best, zo ook de vrijdagen in Zwolle met R. En ook dat toont niet altijd, pijn,,tinnitus ,,, etc. Leuke genderreveal party gehad in leuk maar bescheiden gezelschap, ook dat was precies goed, mooi feest. Daarna neemt Lewy het weer over, eenmaal thuis op een verwarmde stoel onder een deken. Merk ik op, mijn energie is op,
Lewy gaat dan meestal vol in de aanval. Hoe uit zich dat? Hartslag bloeddruk, het wappert in mijn linkerhelft in pijnlijke steken en niet perse verklaarbaar hevige druk op de borst.
Natuurlijk de gebruikelijke ruis in mijn hoofd, wachtend onder mijn deken en medicatie, die lang niet altijd het gewenste effect geven. Wachtend op beter!
Terug naar het Kwintet hierboven, auditieve en visuele hallucinaties op doek tot stand gekomen op zo’n avond.
Overdag de volgende dag het doek gespannen op een houten frame met de hamer die ik van mijn zoon kreeg. Niet strak of professioneel, maar Parkinsonnistisch goed geslaagd.
Carpe Diem!
Visueel
Binnenlicht
Ergens tussen stilte en storm
trilt een landschap van licht,
waar kleuren zingen zonder geluid.
Tinnitus weeft draden van vuur
door het donker van gesloten ogen,
en Lewy’s schaduw laat vlinders dansen
in een brein dat niet wil zwijgen.
Ik kijk naar binnen en
zie hoe chaos ademt,
hoe pijn zich verft tot beweging.
Een fluistering van het zenuwstelsel,
een kosmos die ik alleen hoor,
maar die zich in kleur openbaart.
Carpe Diem!
Het is……
Gender reveal party!
Vandaag is het zover, R. en M. onthullen officieel het geslacht van mijn aanstaande kleinkind. R. heeft alles in huis om dat tijdens een lunch te doen. Vandaag ook de de dag dat ik de ouders en zus van M. ontmoet. Dit alles gebeurt in Zwolle, mijn appartement is daarvoor net ietsje te klein.
Het eten en alles eromheen buitengewoon geslaagd! Bedankt voor de ontvangst lieve echtgenote. De ouders en zus leuk stel, en heb dat als compliment meegegeven aan mijn schoondochter. Je kon aan alles merken dat het wel goed zat met de vader van M. Bouwjaar ‘61, jaar van extreem goede wijnen, mannen en vaders.
De dag ervoor had ik een terug slag van de gebeurtenissen eerder die week. Tinnitus geluidsniveau 17. Maar gelukkig wist ik het vandaag zonder veel inspanning te redden tot een stuk na de lunch. Iedereen bedankt! Nu nog een jongensnaam bedenken.
Carpe Diem!

