Atelier MarcelMïrô
Afspraak is Afspraak
Ik dacht dat we het hadden vastgespijkerd, de zorg en ik, met woorden als schroeven in zacht hout. De ochtend is traag bij mij, een lichaam dat eerst bijeen gefietst moet worden, tot negen uur geen wereld, geen stemmen, geen sleutelbossen.
Het was en is geen vrije keuze, nee, meer een wapenstilstand met mijn eigen brein. Een avondklok, zo noem ik het maar, uit zorg geboren, uit angst gevoed. Tot eenentwintig uur welkom en fluisteren we samen over een pilletje voor de slaap.
En kijk, na invoering afspraak, drie keer ging het goed. Drie! Dat is geen toeval, dat is bewijs. Maar goede bedoelingen zijn wilde dieren, ze rennen waar ze willen. Voor negenen staan ze ineens binnen, na half elf schieten ze door de nacht en ik kleur wit, rood, knipperend oranje.
Ze zeggen dat ze zorgen, maar vergeten dat zorgen ook luisteren is. Afspraken nakomen Dat veiligheid niet binnenvallen betekent, maar wachten tot iemand open doet. Mijn hart slaat geen dienstenrooster, mijn hoofd kent geen aannames.
De deur stond altijd open, uit vertrouwen. Nu overweeg ik het slot, zwaar en beslist. Niet uit boosheid, maar uit zelfbehoud. Wie mij wil helpen, moet eerst mij zien. En wie dat niet kan belt aan en blijft beter even buiten staan!
Carpe Diem!
Banksy
Na het kussengevecht
Geïnspireerd door Banksy en Roedi..!
Twee geloven op één kussen, de veren vliegen sneller dan de woorden. Eerst is er spel, het lachen, een kussengevecht van zeker weten, waar elk die zijn waarheid omklemt, als een zacht maar koppig wapen.
Geloof, zo licht als dons, zo zwaar als steen, je fluistert vrede en schreeuwt strijd tegelijk. Op dat ene kussen past geen, niet een heiligdom. Dus niet alleen, maar samen hebben beiden gelijk.
Soms wordt het ernst, het dons wordt stof, het bed een veld vol oude teksten. Dispuut na dispuut, voetnoten als loopgraven, woorden verharden, stemmen breken, en niemand weet nog wie hier eigenlijk slaapt.
Geloof, zo licht als dons, zo zwaar als steen, je fluistert vrede en schreeuwt strijd tegelijk. Op dat ene kussen past geen heiligdom, alleen, en toch, maar samen hebben beiden gelijk.
En, na dit alles, dat mis kan, en zal gaan ligt daar dat kussen weer. Platgeslagen, gehavend, maar geordend en warm. De oorlog kan beslecht door stilte, kan niet beslecht door winnen maar door blijven geloven. Twee geloven ademen naast elkaar, moe, maar eindelijk mens.
Carpe Diem
Kubisme ontmoet Karma
Kubisme, ja, maar geen schoolboek-kubisme. Dit is geleefd kubisme. Wat ik zie, geen scène, maar een breukvlak. De wereld is hier niet rond, niet logisch, niet veilig verdeeld. Alles is hoekig van binnen, zelfs dat wat zacht lijkt.
De olifant bestaat niet uit één lichaam, maar uit tijdlagen, een oor dat gisteren hoorde, een slurf die nu tast, een oog dat al weet wat straks vergeten wordt. Zijn massa is opgesplitst, maar zijn aanwezigheid niet. Dat is belangrijk. Dat is troostrijk.En als iedereen onderdrukt is, in hetzelfde regime! Dan is iedereen, vrij! Het, dit regime deze twee mensen, een portret, samen een identiteit, het zijn fragmenten van nabijheid. Huid als kleurvlak. Lach als schuine lijn. Handen niet om vast te houden, maar om te begrijpen.
Kubisme zegt, het is niet één perspectief en dat is geen leugen, ik ben het daar hartgrondig mee eens. In zorg, in liefde, in aftakeling: wie alles vanuit één hoek wil zien, mist de waarheid. De waarheid zit in het gelijktijdige, kracht én kwetsbaarheid, spel én ernst, aanraking én afstand. Dit beeld weigert rust. Het zegt, kijk nog eens. En nog eens. En accepteer dat samenhang soms alleen bestaat als je durft te leven met scherven. Dat is geen stijl. Dat is een levenshouding.
Carpe Diem
Sneeuw in Meppel
Wit ademt uit, blauw houdt zich stil. De zon raakt mijn gezicht zoals je iemands naam herhaalt om hem niet te verliezen. Mijn schoenen knerpen zachter nu, alsof ook zij hebben begrepen dat haast hier niet welkom is.
Loop het van me af, praat mezelf bij. Fantastische luxe van niets hoeven.
Elke stap zakt dieper in het dek, en ik zak mee, laag voor laag. Gedachten worden groter maar minder indringend. De kou legt een hand op mijn schouder en zegt niets, en precies dát helpt.
Loop het van me af, praat mezelf bij. Fantastische luxe van niets hoeven.
Tijd gaat naast me lopen in plaats van voor me uit. Herinneringen komen niet aandringen, ze wachten tot ik ze zie. Fantasie fluistert in sneeuw, de werkelijkheid antwoordt in witte wol. Ze klinken verrassend eensgezind.
Loop het van me af, praat mezelf bij. Fantastische luxe van niets hoeven.
Mijn adem wordt breder dan mijn borst, mijn schaduw blijft even staan. Het pad vraagt niet wie ik ben geweest, alleen of ik hier ben. Ja, zeg ik zonder stem. Ja!
Loop het van me af, praat mezelf bij. Fantastische luxe van niets hoeven
Is winter leuk? Nee ze is, het is eerlijk. En eerlijkheid, zo merk ik, is een vorm van luxe die langzaam warm wordt. Ik sta. Ik loop. Ik ben er.
Carpe Diem!
Kras
Ze blijven maar komen, ontelbaar gekomen, gezichten verschuiven, de namen vervagen in tijd. Ik roep je zo zacht, want ik raak je soms kwijt, verenigd in adem…maar ook weer niet.
Blijf even hier, raak mijn hand aan. Als ik verdwijn, zeg jij mijn naam.
We gingen uiteen zonder echt uiteen te gaan, liefde verkleurde tot vlag en veel kleur. Ik zie je wel staan, maar ik weet niet, soms niet meer, wie je bent, of wie ik ben, wie is hier. En niemand vraagt hardop: ga je mee?
Blijf even hier, praat niet te snel. Als ik je zoek, ken jij mij dan wel?
De jaren zijn bovenkamers waar stilte woont, verlies werd gewoonte, vertrouwd en alleen. Wat ik vasthield loopt stil door me heen, alsof ik vergeet wat ik altijd al ken. Wie ik ben!
Blijf even hier, ook als ik dwaal. Ik ben mezelf soms niet in mijn verhaal.
Kijk niet omhoog naar het vreemde dat komt, het buitenaardse zit in mijn hoofd, in mijn mond. Maar jij zit hier nog….dat is wat mij grondt, mens naast mens, tot het licht even stopt.
Blijf even hier. Ik ben er nog…..Ja en jij bent er gelukkig ook nog?
carpe Diem!
Van kado naar krabbels
Liefde stroomt, spreekt vloeiend, maar niet zonder stroomversnelling, ze schuurt langs nerven, splijt wat wil blijven. Vuur likt aan blad, aan belofte, aan keel. Robin zingt omdat zwijgen erger is.
De bladeren woelen als onrustige gedachten, groen wordt zwaar, geel wordt bijna roest. De zon hangt niet warm maar dreigend laag, een oog dat te lang blijft kijken.
Verfstreken zijn geen omhelzing meer maar krassen, cirkels zonder uitweg. Tijd hapert, struikelt over zichzelf, en elke schoonheid weet dat ze tijdelijk is. Het roodborstje, vurig in dit geheel, zingt tegen beter weten in. Zijn borst is geen hart maar een wond, opengehouden door herinnering.
En nee, hier komt geen verzoening. Het licht dooft niet, het verbrandt. Wat overblijft is kleur zonder troost, en liefde, rauw is iets dat blijft steken.
Carpe Diem
Tweede kerstdag
Elke ochtend glipt het heden als water door een open hand. Ik sta al achter op vandaag… nog vóór de klok mij kent. Enkel ik knoop me vast aan gisteren, dat soms genadig is.
Het verleden blinkt niet altijd uit, maar het weet hoe ik heet. Het fluistert, je was ooit meer dan dit, en ik geloof het dan maar, tegen beter weten in. Driedimensionaal droom ik dus verder terwijl de wereld plat wil blijven.
Ik word moe wakker, alsof slaap een werkdag was. Die vermoeidheid smijt men dagelijks voor mijn voeten neer. “Hoe gaat het?” zeggen ze licht, alsof woorden geen gewicht dragen.
Mijn vermoeidheid is geen klacht, het is mijn gewone gezicht. Behandel me niet als een vraagstuk, ik ben geen formulier. Ik vraag niet om zorg in plastic handschoenen, ik vraag om ruimte.
Dus stop met meten, met peilen, met goedbedoelde stemmen. Laat me bestaan zonder uitleg, zonder samenvatting onderaan de pagina. Ik leef….traag, scheef, koppig….en dat is geen tekort, maar de waarheid.
Carpe Diem
Fijne feestdagen
Dit is geen troostend pad, maar het weigert ook om je te breken. De wond staat rechtop, ja dat, maar niet uit woede of uit oefening. Ze heeft geleerd hoe je blijft staan zonder uitleg te eisen.
De stam in het midden splijt de ruimte niet langer uit twijfel, maar om ruimte maken. Alsof een godheid dacht, laat hier iets groeien dat niet meteen een antwoord is.
De roodbruine lagen zijn geen oud zeer meer, maar aarde die warm werd door herinnering. Ze dragen het grafiet, het gewicht ervan en van de stappen, zonder dat bij elke van die stappen te moeten beoordelen, of te veroordelen
En kijk, tussen al dat donker lichten zachte streken op van oker, tot geel, of aarzelend groen. Geen belofte, maar een hint.
Dit pad fluistert nu, je mag twijfelen en toch vooruitgaan. Je mag zwaar zijn zonder verloren te raken. Niet somber. Eerder eerlijk, soms is licht genoeg.
Carpe Diem!
Fijne feestdagen!
De weg
Gevangenschap in de geest van zorg
Lewy Body is geen ziekte in de normale zin van het woord, het is een tiran met zachte handen en een ijzeren wil. Hij fluistert zorg, maar bedoelt: heerschappij.
Hij sluit geen deuren, hij verplaatst muren. Vandaag heet de kamer “veiligheid”, morgen “vergetelheid”, en overmorgen weet niemand meer wie de sleutel ooit droeg.
Overleven is een heldendaad. Overleven is jouw adem tellen tussen hallucinatie en ochtendlicht. Het is je naam vasthouden alsof het een nat papiertje is dat elk moment oplost.
De zorg zegt: we doen ons best. Maar best is te klein voor een hel die zich vermomt als beleid, als protocol, als glimlach die niet kijkt naar wie jij was, maar wel wat je aan het worden bent.
Ondanks de tirannie blijft er iets koppigs leven. Ben ik hier nog? Ja, ik ben hier nog. Ondanks Lewy Body, Dit is geen romantisch lijden dit is oorlog in slow motion. En wie hier overeind blijft, is geen patiënt, maar een getuige.
Carpe Diem!
Werk aan de winkel
De mast staat weer fier, alsof hij zichzelf herinnert waarvoor hij bedoeld was. Een ruggengraat van hout, met de oude lampen weer opgehangen als gedachten die ’s avonds eindelijk weer aan gaan.
De gevel van de oude winkel ook aan de overkant, zoveel handen, zoveel verhalen, ligt neer in iets meer dan twee uur. Twee uur om decennia los te wrikken. Ik vind daar iets schokkends in, en tegelijk iets meedogenloos eerlijks, hoe weinig tijd het kost om verleden tot puin te verklaren.
Veranderingen volgen elkaar op in een tempo dat geen pauzes kent. Alsof de wereld bang is voor stilstand, alsof wachten gelijkstaat aan verliezen. Maar, ik denk, ik denk van niet. Er is juist moed nodig om te vertragen, om te luisteren naar wat nog natrilt in baksteen, in licht, en in herinnering.
Soms voelt het alsof mijn hoofd in hetzelfde tempo wordt verbouwd. Hier iets weg, daar iets nieuws, en niemand die vraagt of de fundering het nog houdt. Maar toch, die mast staat. En dat licht brandt weer. Misschien is dat genoeg voor vandaag.
Carpe Diem
Drieluik?
De nacht hangt als een losse draad aan de rand van een oude jas. De stad wiegt zichzelf in slaap, maar niemand durft zijn ogen te sluiten.
Ik hoor het neuriën van stenen, het trage zuchten van een lantaarnpaal die allang te veel heeft gezien, de haast, de honger, het wegkijken dat pijn doet.
Een man tekent cirkels in het stof, alsof elke kring een grens is tussen wat blijft en wat verdwijnt. Ik vraag het niet hardop, maar toch fluistert iets: wie ziet hier eigenlijk wie?
Er lopen mensen zonder schaduw, hun verhalen opgegeten door etalages die nooit knipperen. En toch, ergens achter glas tikt een hart dat zich niet laat verkopen, een kleine rebellie van bloed en ritme.
Zo valt de nacht niet neer, maar open. En wie luistert, hoort een lied dat geen rust belooft, maar wél een richting!
Sta op, zet één voet in de scheur van het licht, en wees niet bang om gezien te worden door een wereld die te lang sliep.
Carpe Diem!
Voor iedereen! Happy Hollidays.
Dit schilderij… het voelt alsof het winterlandschap heeft leren ademen in kleur, en toen heeft gezegd: “Nu, laat het maar zingen.”
Hier geen koel, afstandelijk expressionisme dat je met rauwe streken omver beukt, dit is eerder een zinderende emotionele golf, een soort lyrisch expressionisme dat flirt met het impressionisme. De wereld is opgebouwd uit pulserende vlekken blauw en goud, als licht dat blijft trillen op je netvlies.
Die zon, evenzogoed is het de maan die. zweeft als een warme herinnering in een koude wereld. En dat pad rechts, dat kleine slingerende spoor, lijkt te fluisteren: “Kom, verdwalen mag.”
De bomen zijn schaduwen van zichzelf, strepen van melancholie in een landschap dat tegelijk troostrijk en fragiel is. Alsof je kijkt naar een moment dat niet langer blijft dan een ademhaling, maar toch eeuwig ergens in je borstkas wil wonen.
Expressionisme in de zin dat het niet de werkelijkheid schildert, maar mijn binnenwereld, dat warme en koude tegelijk, dat zachte gezoem van licht dat tegen de stilte beukt! Kortom abstract!
pluk het leven!
De Gevangene!
The prisoner 1971 (van Gil Scott-Heron) beluistert en vertaald in het licht van deze Krita-prent
De Gevangene
Ik ben geen man van muren, maar van het bleke winterlicht dat mij tegelijk vasthoudt en bevrijdt.
De kou legt een hand op mijn schouder, niet hard het voelt meer als een herinnering aan wat stilte kan zijn wanneer de wereld eindelijk ophoudt met duwen.
Aan de overkant van het water staan de bomen als wachters, maar ze oordelen niet. Ze fluisteren alleen, je bent nog hier, nog steeds een mens, ook al voelt mijn hart soms als ijs dat nergens heen kan behalve naar binnen.
En toch…in de weerkaatsing van de zon zie ik iets dat lijkt op hoop, een trilling, een zachte breuk in het blauw. Misschien is gevangenschap niet altijd een cel, maar soms gewoon een seizoen, en dan dat zelfs de strengste winter ook dooi in zich verscholen heeft.
Hij Gil, spreekt als iemand die vastzit niet alleen achter tralies, maar in een systeem dat hem al vóór zijn geboorte de ketens omdeed. De celmuren zijn stenen versies van oude vooroordelen, en elke voetstap van zijn bewaker echoot de geschiedenis van macht die zich verschuilt achter regels en uniformen.
Toch heeft hij een stem, een vonk. Hij weigert volledig bezit te worden van het systeem dat hem opsluit. Hij kijkt door het smalle raam, ziet een scheur in de lucht een tekening van vrijheid, fragiel maar echt.
Het nummer is een aanklacht, tegen racisme, tegen onrecht, tegen het idee dat een mens gereduceerd kan worden tot een nummer. Het is ook een fluistering van hoop, een geest kan men niet opsluiten zolang hij blijft spreken. Hij zit opgesloten, maar het zijn niet alleen muren die hem vasthouden.
Het is een erfenis van wantrouwen, een geschiedenis die als een koude hand om zijn schouders rust. De cel is slechts een decor; de echte tralies zijn oud, slijten nauwelijks, en dragen namen als angst, vooroordeel, macht.
Hij voelt hoe het systeem hem wil herscheppen tot stilte, maar zijn gedachten weigeren bevelen. Ze kloppen tegen de muren als een hart dat niet wil toegeven. Hij spreekt voor allen die onzichtbaar zijn gemaakt, voor wie begraven zijn onder dossiers en regels, voor wie nooit eerlijk zijn gezien.
En toch ergens, tussen de scheuren van beton, brandt een dunne draad van licht. Niet genoeg om uit te breken, maar genoeg om te blijven geloven dat een mens meer is dan zijn kooi.
De Gevangene.
De gevangene in zijn cel, hij zit niet alleen met zijn herinneringen, hij zit er ook met een eigen, onverwoestbaar licht. Het systeem kan hem in een hok zetten, maar zijn geest is een reiziger die geen muren kent.
Waar anderen alleen beton zien, ziet hij plekken waar het ooit zal scheuren. Elke dag dat hij ademt, tikt hij een gaatje in het donker, klein, maar echt, een belofte verpakt in geduld.
Hij voelt het ritme van de wereld achter de muren, en soms lijkt het alsof de wind door het raamrooster een toekomst binnenfluistert waarin niemand, nog klein gehouden wordt.
Zijn stem, rauw, vol krasjes, is een vonk die weigert te doven. Hij spreekt niet alleen uit protest, maar uit liefde voor wat mogelijk is: een dag waarop menselijkheid harder klinkt dan kettingen.
Hij is een gevangene, ja, maar in zijn hart oefent hij al de stappen van iemand die straks de deur uitloopt en weer voluit mens is.
Carpe Diem!
Babbels en Krabbels
Soms voelt het alsof mijn gedachten net zulke scheve daken hebben als de huizen die ik schilder. Ze leunen tegen elkaar aan, bang om om te vallen, moe van de nachten die langer lijken dan ze zouden mogen zijn. Toch blijft er een zachte gloed hangen, alsof de duisternis me niet helemaal kent.
Ik zie het licht komen zoals het soms in mij komt, schuifelend, voorzichtig, met een kleur die ik niet meteen herken. Het raakt mijn binnenmuren, mijn rafelranden, mijn plekken waar herinneringen zich hardnekkig vastklampen. Het zegt geen woord, maar het blijft, en dat is al veel.
De toren in mijn stad lijkt op mijn eigen wervelkolom niet meer kaarsrecht, maar nog altijd drager van verhalen. Hij hoort dingen die niemand ziet, ademt in schokjes, en kijkt toch elke ochtend weer op alsof hij wil zeggen: “Ik ben er nog. Jij bent er nog.”
De rook die opstijgt lijkt op mijn gedachten op dagen dat het geheugen zich terugtrekt als eb. Wazig, zoekend, ontegenzeggelijk van mij maar niet helemaal te grijpen. En toch, ook rook weet een, vindt een richting. Misschien, ik dan ook.
En dan, als ik het bijna opgeef, glijdt er een kleur langs mijn ribbenkast die me zachtjes wakker kust. Niet als een overwinning, maar als een uitnodiging. Een trilling die zegt, roept “Er is meer vandaag dan ik gisteren verloor.”
Zo ontwaak ik. Niet snel, niet luid, maar samen met de stad die uit mijn handen kwam. We schudden tegelijk het nachtstof af, de plooien van twijfel, de kromme lijnen van vermoeidheid. En in dat gedeelde ademen hoor ik iets dat lijkt op hoop. Zonder uitroepteken. Maar wel heel echt.
Carpe Diem!

